Fiezels: bewaren of weggooien

Om mijn studio op orde houden, moet ik steeds weer kiezen: Mik ik die fiezels (kleine stofrestjes) in de prullenbak. Of bewaar ik ze als kussen- of hooimadamvulling, ook al heb ik al drie tassen fiezel (maar je weet nooit…)?

Of stop ik die kleine, rafelige stukjes in een aparte tasje omdat ik er, bijvoorbeeld, nog eens spijkerstofsieraden van zou kunnen maken (op Pinterest vind je echt hele leuke).

Wat doe ik hiermee?

Gooi ik die stukjes staallap waar ik het karton niet vanaf gescheurd krijg weg? Of zal ik er nóg een keer een tas van vlechten, zoals ik ook met succes deed in februari 2020?

Steeds dus de vraag: wat bewaar ik, wat gooi ik weg? Omdat ik keuzestress graag voor ben, heb ik van het begrip bewaren eens gekeken waar het vandaan komt. Door me te buigen over ‘bewaren versus weggooien’, maak ik misschien betere keuzes.

Beuuarun

Opvallend is de verwantschap met ‘zien’ en ‘willen behoeden’. Al in Oud-Nederlandse teksten van de tiende eeuw is het woord beuuarun gevonden (zie de etymologiebank), wat toen zoiets betekende als ‘het oog houden op’. Na 1240 kreeg het ook de betekenis van ‘beschermen’ en ‘handhaven’. Wellicht is het verwant aan het Oudnoorse vara, waarschuwen, aan het Griekse horao – ik zie- en aan ouros – bewaker. Het kan ook nog voortgekomen zijn uit het Griekse erumai – ik bescherm, behoed.

Inderdaad, als ik fiezels of restjes stofstaal bewaar heb ik ze gezien, en wil ik ze behoeden (voor verbranding). Wat ook geldt: ik zie ze, en ik bewaar ze omdat ik er, op dat moment, waarde aan hecht. Drie jaar geleden zou ik ze niet gezien, en zeker niet bewaard hebben, want ik was toen helemaal niet bezig met de vraag wat ik met stofresten kan, laat staan met onmogelijk kleine en rafelige restjes.

Dus ja, wat het ook weer leert: zelfs de waarde van zoiets futiels als stofrestjes is afhankelijk van veranderlijke zaken als verbeelding (wat denk ik dat ik er mee kan?), de markt (hoeveel vraag is er naar kussens of hooimadammen?) en tijd (denk ik hier überhaupt over na?).

Beperkte opbergruimte

Maar dan nog: ook al zie ik NU de waarde van alle fiezels en zou ik ze wel allemaal willen bewaren omdat ik ze misschien nog eens kan gebruiken in wandkleden, sieraden of kussens, ik moet rekening houden met de beperkte opbergruimte. Een half jaar geleden had ik zeker al bij twee tassen gedacht: dit is wel genoeg de rest kan naar de stort zoveel kussens maak ik niet. Maar sinds ik hooimadammen maak, en weet dat in 1 hooimadam bijna één tas fiezel gaat, wil ik meer bewaren, .

En dit is dan de keuze; gezien de ruimte die ik in de opslagkamer heb, houd ik het voorlopig op maximaal vier tassen. Maar daaronder vallen dan ook stukken echt he-le-maal versleten of verkeerd geverfde handdoek, gladdig dun kledingpolyester en anderszins lelijk stof dat ik tot fiezel kan verknippen, en dat aldus van de verbranding wordt gered.

Deze hooimadam houdt pannen met graan, peertjes of vlees warm, zodat het erin kan garen wat energie bespaart. Er zit een tas fiezel in. De hoes is van Qjuti Oekostof en gekocht op de markt.

Soms heb ik resten weggegooid waar ik dan later toch spijt van kreeg. Maar soms heb ik geluk. Dan heb ik, na lang twijfelen, een type reststroom gehouden dat ik later inderdaad blijk te kunnen gebruiken. Dat was het geval met de kartonnetjes aan de stofstaallapjes. Die zitten nu in een wandkleed, boekenleggers genaamd.

De op het eerste gezicht waardeloze kartonnetjes (met de rondjes erin voor de houdertjes), blijken mooi te staan in mijn wandkleed boekenleggers. Gasten kunnen er boekenleggers uit kiezen. De lege plekken kan ik dan weer met nieuwe vullen. Of ik kan het wandkleed opknippen. (Staalboek is van Fabricut, gekocht bij Kringloop Wageningen)

Nu spaar ik ook al knopen, ritsen, banden, klosjes naaigaren, restbolletjes zijdedraad – allemaal in verschillende tasjes. Het is natuurlijk heerlijk veel keus te hebben, bij het kiezen van kleuren, texturen en lengtes. Maar het moet niet te gek worden met mijn verzamelingen. Ik heb ook al zeker vier kleine-lapjes tassen op kleur: zwart-wit, blauwig, groenachtig en rood/oranje. Dan nog twee tassen met grotere lappen en voeringstof, een tas vilt, een ton wol, en nog een doos met niet meer te verkopen kledingstukken.

Dus ja, zoals in waarschijnlijk elk naaiatelier: het blijft schipperen: Hoe langer ik met stofresten bezig ben, hoe meer ik de waarde ervan in zie en ze dus wil bewaren, wil behoeden tegen verbranding. Tegelijkertijd wil ik op dit moment het aantal verzamelingen ook niet te veel uitbreiden omdat ze (kast)ruimte kosten, en tijd – om het overzicht te houden.

Lees ook over mijn voorzichtig inkoopbeleid om de Kasten op orde te houden

En over Industriele oplossingen voor de resten van de resten van de resten

Write a Comment

Your email address will not be published.