(Industriële) oplossingen voor de resten van de resten

In mijn stofreststudio groeit het aantal stofresten. Gelukkig werken steeds meer partijen aan industriële recycling.

Mijn ideaal is een studio zonder resten. Ook voor de resten van de resten van de resten – de echte scrap: kleine, rafelige stofflinters – wil ik bestemmingen zoeken. Ideeën heb ik genoeg: kussenvulling, stoffen sieraden, vulling voor pannenlappen, er nette smalle reepjes van vouwen, die aan elkaar maken en deze vervolgens vlechten. Ik ben nu bezig met een wandkleed van spijkerstofresten (zie ook Experimenteren met spijkerstof).

Ook op Pinterest zijn inspirerende voorbeelden te vinden voor het verwerken van scrap, zoals Seven ways to use your scrap van quilt docent Karen Brown (hoe maak je mooie quilts met kleine restjes?) En, niet te vergeten, dit driedimensionaal textiellandschap, gemaakt door een groep Peruaanse kunstenaars.

Het is de moeite waard deze prachtig aangeklede en geborduurde poppetjes van kleine restlapjes hier in detail te bekijken. Toen ik dat zag, wilde ik gewoon van de vele gekleurde restjes en draadjes die ik heb liggen ook zulke poppetjes maken, bijvoorbeeld voor de kerstboom.  

Maar toch. Intussen heb ik op zolder meer kilo’s stof(rest) dan ik ooit in mijn leven heb gehad (7 kleine en middelgrote zakken). Dat komt omdat ik, om bijvoorbeeld een bepaalde type tas, servetten of kussen voor iemand te maken, toch geregeld een restlapje erbij moest kopen in de lokale kringloopwinkel, anders kon ik dat product niet maken. Ook krijg ik van familie en vrienden steeds meer, nu bekender wordt dat ik reststoffen verwerk.

Aanvankelijk had ik me voorgenomen geen nieuwe stoffen te kopen/aan te nemen voor ik voldoende reststof had verwerkt om het aantal zakken scrap op, zeg, maximaal twee te houden. Maar had ik dat consequent volgehouden, dan had ik me afgelopen jaar denk ik vooral met scrap verwerken bezig gehouden – dus kussens, dekens of wandkleden maken waar ik eigenlijk niet direct een bestemming voor had.

Prullenbak

Gelukkig komen er ook industriële oplossingen. Toen ik begon dacht ik nog dat ik mijn te veel aan scrap in de prullenbak zou moeten mikken. Waardoor door mij uiteindelijk misschien nog zelfs meer textiel verbrand zou worden dan voor ik met deze studio begon. Maar inmiddels weet ik: dat hoeft niet. Als het aantal kilo’s te gek wordt, kan ik zakken in een bak doen van Sympanie, een landelijk opererend inzamelingsbedrijf dat het textiel wat niet opnieuw draagbaar is (zo’n 35 %) zoveel mogelijk levert aan een aantal jonge, (deels) industrieel werkende recycle bedrijven.

Proeffabriek

Zoals Saxcell, een Twents bedrijf dat voortkomt uit Hogeschool Saxion. En dat onlangs, met drie Turkse textielbedrijven, een proeffabriek in Goor is gestart. Dagelijks levert deze nu 100 kilo vezelpulp voor in kleding en handdoeken – jaarlijks 36.500 kilo. Katoen kan naar VRK Isolatie gaan, dat dit vervezelt tot het isolatiemateriaal Metisse, wat sinds vorig jaar bij de Gamma ligt. En zo kunnen sinds kort oude dekbedden naar Ducky Dons, die de dons eruit haalt en het in weer nieuwe dekbedden verwerkt. Met jaarlijks 145 miljoen kilo afvaltextiel in Nederland (waarvan 94 miljoen kilo bij genoeg capaciteit te recyclen zou zijn) is de kans dat mijn scrap, als ik het bij Sympanie in de bakken doe, gerecycled uit de keten komt nog klein, denk ik. Maar ik werk dan in ieder geval mee aan deze nieuwe ontwikkeling.

Stoom

Ook onderzoeksinstituten werken aan recycling technieken, waardoor de capaciteit om resttextiel te verwerken hopelijk snel stijgt. In dit filmpje bijvoorbeeld, is te zien hoe het Hong Kong Research Institute of Textiles and Apparel HKRITA, met investering van de H&M Foundation, tussen 2016 en 2020 een proces heeft ontwikkeld waarbij het met stoom  (110 tot 150 graden) en milieuvriendelijke chemicaliën katoen en polyester weet te scheiden, zodat deze makkelijker zijn te recyclen.

Langer gebruiken

Maar ja, uiteindelijk vind ik natuurlijk ook dat het bij die industriële verwerking zoveel mogelijk om de scrap moet blijven gaan (zie de Correspondent: Met recycling alleen kom je er niet). Eerste streven moet blijven kleding en huistextiel langer te gebruiken. Niet alleen vanwege het milieu – industriële recyling kost energie, water en materialen, zoals in scheidingsmachines -, hergebruik en upcyclen kunnen ook extra werk bieden in regio’s, mogelijk ook leuker dan nu in de grote fabrieken. Maar dat vraagt dus wel een andere textiel economie.

Eerlijke-prijzen-economie

En daar zijn gelukkig ook al allerlei initiatieven voor: cradle-to-cradle, ‘regeneratief’, circulair, een eerlijke-prijzen-economie, of ongeveer eentje zoals geschetst in het recent uitgekomen visiestuk A new textile economy van de Ellen MacCarthy foundation. Daarin staat trouwens ook het schokkende cijfer dat we wereldwijd sinds 2002 onze kleding de helft minder vaak dragen dan nu – zoveel sneller dan nodig gaat deze de prullenbak in.

Minder gehoor geven aan fast-fashion, meer recycling en minder vaak de kleren wassen en drogen met de machine (dat kost nog het meeste energie), wordt ook bepleit in het kritische filmpje The lifecycle of a t-shirt –  onderdeel van een TedEx lessenpakket The nature of our stuff voor Amerikaanse scholen. Zelf geef ik spijkerbroeken onder andere een extra leven in een wandkleed. Leuk werk, en het gaat onze gang opfleuren, maar ik doe wel vele zondagen en zaterdagen over het verwerken van vier spijkerbroeken….

Dichten op zijde

Over hoe twee beroemde Chinese kunstenaars eeuwen geleden hun verlangens in stof uitdrukte

Een van de leukste kanten van textielarbeid is dat er zoveel stof in zit voor verhalen. En verhalen, zeker van het type: er was eens ergens ver weg…., zijn weer leuk omdat ze stimuleren tot nadenken over hoe het ook anders geweest had kunnen zijn, als er andere waarden en normen zouden heersen. Ik pak er hier twee, uit de vele die de Engelse cultuurjournalist Kassia St Clair aanhaalde in haar textiel-historisch boek De Gouden Draad. Allebei verhalen ze over het verlangen van vrouwen naar hun man.

Ontredderd

In de vierde eeuw was er in China een vrouw, Su hui geheten, die helemaal ontredderd was omdat haar man, een hoge ambtenaar, zich in een ver woestijngebied bevond en haar daar ook nog eens ontrouw was. Ze ging echter niet bij de pakken neerzitten maar zette haar verdriet en boosheid om in een gedicht op zijde, een eigen ontworpen palindroom van 29 maal 29 (= 841) keurig geborduurde karakters. Niet alleen kunnen Chinezen deze tekens omkeerbaar lezen, van bovenaan rechts naar beneden en andersom, ze kunnen ook in elke richting door de tekst dwalen: horizontaal, verticaal of diagonaal, waardoor het werk meer dan drieduizend mogelijke gedichten bevat. Su hui stuurde de geborduurde zijde naar haar man, Dou Tao, en volgens de overlevering was hij zo onder de indruk dat hij bij haar terug kwam.

Su hui en haar palindroom, geschilderd met inkt op zijde in – waarschijnlijk – de zeventiende eeuw (nu in Harvard Museum). In Europa werkt nu de Norwich University aan een vertaling van het gedicht van deze vrouwelijke dichter/borduurster.

Dan het verhaal van de twaalfde-eeuwse Chinese keizer Huizong (1082-1135), ook aangehaald in De Gouden Draad. Politiek werd deze keizer van de Song dynasty gezien als een loser, omdat hij zijn troon aan naburige Jurchen verloor. Maar zijn talenten als kunstenaar werden alom erkend. Hij speelde guqin, hij dichtte, kalligrafeerde en schilderde. Een van zijn mooiste schilderijen is het ‘Hofdames bezig met het voorbereiden van pasgeweven zijde’ dat hij kopieerde van Zhang Xuan, die het in de achtste eeuw schilderde.

Gekapte concubines

Te zien is hoe groepen schitterend geklede en gekapte keizerlijke concubines nieuw geweven zijde wassen, strijken en naaien, in een jaarlijks zijderitueel, gongkan geheten. Mogelijk dat de keizer/schilder met de taferelen zinspeelde op de erotische poëzie, waarin bijvoorbeeld het kloppen van doek vaak diende als eufemisme voor de vrouwelijke lust.

Kopie van ‘Hofdames bezig met het voorbereiden van pas geweven zijde’, inkt, kleurstoffen en goud op lange rol zijde (Museum of fine arts Boston).

St Clair schrijft dat de keizer, ‘via zijn zijden schildersdoek wilde laten zien dat deze prachtige, in zijde gehulde vrouwen hun onvervulde verlangen naar hem stilden door nog meer zijde te maken’, en daarbij haalt ze twee (mannelijke) auteurs aan. Maar dan denk ik toch: heeft hij dit verlangen inderdaad gehad of had hij, ten tijde van dit schilderij (ook) andere verlangens in zake zijn concubines? Kan de schildering niet net zo goed getuigen van, bijvoorbeeld, de liefde of bewondering van Huizong voor zijn concubines (of eentje?), gezien de schitterende details die hij in de jurken en kapsels aanbracht?

Alleen zijn

Waarbij ik me meteen afvraag hoe zeker de geschiedschrijvers eigenlijk weten dat Su hui borduurde uit ontreddering en verlangen naar haar man Dou Tao. Misschien vond ze het (ook wel) heerlijk alleen te zijn, omdat ze dan veel tijd had om lekker te borduren. En stuurde ze de zijde op omdat ze graag wilde dat de mensen in de woestijn haar werk ook zagen.

Wat is het (echte) verhaal achter deze anno 2020  in Nederland gemaakte omkeerbare tas van drie restlappen? Bijvoorbeeld dat de maker (ik dus) graag een tweeledig duurzame tas wilde: hij is namelijk gemaakt van reststoffen, en als hij vuil wordt kun je hem omdraaien waardoor je hem minder vaak hoeft te wassen (wat ook water en zeep bespaart)

En/of: de maker wilde een tas die bij haar rode bamboe jurk past

En/of: de maker had al een roze/rode portemonnee en telefoonhoes gemaakt, en wilde er een bijpassende tas bij (en had toevallig ook rood/roze stof in voorraad).

En/of: de maker had gewoon veel zin om gewoon iets te naaien, en had toevallig deze drie lappen liggen.

En/of: de maker was een onderzoek naar hergebruik reststoffen gestart en dacht: een goede bestemming is tassen dus laat ik daarmee aan de slag gaan.

En/of: de maker was, na 25 jaar te hebben gewerkt als wetenschapsjournalist op zoek naar nieuw werk, en dacht: misschien kan ik over het maken van tassen gaan schrijven…

En/of: ….

Schoonheid bereiken met gerafelde staallapjes

Om snel de prachtige verfijning te krijgen van Nederlandse quilts, vlocht ik gerafelde repen staallapjes tot een palet van 250 vierkantjes. Die verfijning verkreeg ik niet. Mogelijk is voor dat type schoonheidsbeleving (ik noem het maar even verfijning) toch meer regelmaat en nette afwerking nodig.

Afgelopen 200 jaar hebben stofproducenten voor meubels, tafelkleden en gordijnen duizenden staalboeken gemaakt met samen een oneindige hoeveelheid aan kleurige lapjes met bloemen-, streepjes- en andere patronen. Dat is, om te beginnen, historisch interessant:

Oud staalboek van tafellinnen stoffen van linnenweverij Van Dissel uit Eindhoven. Hun designer Chris Leveau ontwierp voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog in het linnen meer dan 50 patronen met bloemen, dieren en geometrische vormen. Het staalboek, met veel van die patronen, is te zien in de tentoonstelling Damast – 150 jaar tafellinnen in Nederland in het Textielmuseum.

Voor mij waren afgelopen jaar staalboeken ook interessant, omdat je met de lapjes zo goed kan quilten en patchworken. Voor vijf euro per stuk vond ik in een kringloopwinkel drie staalboeken. Zo had ik al snel thuis ineens meer dan 200 allemaal verschillende staallapjes in groene, rode, blauwe  en gele tinten.

Ik tornde de lapjes los, en van de met karton verstevigde randen vlocht ik een fleurige, stevige tas om ze in te doen. Over dit hergebruik was ik erg tevreden, omdat ik van te voren dacht: hiermee iets doen gaat echt niet lukken… En deze handwerktas heb ik nu nog in onze huiskamer staan.

Vervolgens startte ik met quilten. Dat wil zeggen: met het naaien van het type patchwork lappen die vrouwen eeuwenlang voor rokken, kleden of bijvoorbeeld dekens maakten. Al proberend kwam ik erachter dat ik ‘rustige’ lapjes moest afwisselen met drukke lapjes, en op een klein oppervlak ook niet te veel kleuren moest gebruiken. Zo slaagde ik er uiteindelijk in kussens voor de bank van mijn oudste dochter te maken, waarbij ik een beperkt aantal staallapjes combineerde met een grotere, effen restlap die ik nog had liggen. Ook lukte een kussen van maar twee kleuren, omdat ik toevallig één staalboek vond met relatief grote lappen (ongeveer 30 bij 30 centimeter), waardoor ik wel voldoende kon herhalen.

Eenvoudig patchwork kussen van enkele, op elkaar lijkende lapjes. Achteraf denk ik dat het mooier is om kleinere lapjes te gebruiken.

Zijde en sits

Dat ik moet afwisselen tussen druk en rustig (of donker en licht) had ik kunnen weten, realiseerde ik me deze week bij het lezen van de Geschiedenis van de Nederlandse quilt van Ann Moonen. Kijk naar de professionele Nederlandse professionele quilts (ook moderne). Vanaf de zeventiende eeuw kende Nederland een levendige quilt traditie vanwege zijn handel in zijde en sits (glanzende, met bloemen bedrukte katoen uit India). Welke schitterende patchwork lap je in An Moonen’s boek ook bestudeert, er is een afwisseling van bedrukt (vaak donker) en (bijna) effen – het effen is vaak wit met een hele kleine, fijne tekening.

Rafelen

Maar ook met afwisseling vond ik de staallapjes niet ideaal om te patchworken. Misschien door het type stof (niet alle lapjes zijn katoen), of misschien omdat je van elk lapje maar 1 exemplaar hebt, waardoor je minder kunt herhalen. Juist terugkerende motieven zijn in quilts vaak zo mooi. Ik zocht daarom ook naar alternatieve technieken, zoals de zomen aan de achterkant rafelen en dat werk versieren met knoopjes (zie foto tasje).

Staallapjes zijn erg geschikt om te rafelen, zoals in dit patchwork schoudertasje.

Uiteindelijk vlocht ik van gerafelde repen een groen met rood afgewisseld wandkleed voor de gang – ik hoopte zo sneller dan op de traditionele manier de verfijning te bereiken van het zo mooie, fijngemaasde patchwork dat ik op Internet zo vaak had gezien. Met bij mij dan ook nog eens, extra, duizenden fijne vezeltjes vanwege die rafels.

Tulpen en theehuisjes

Over de balans tussen groen (‘rust’) en rood (‘actie’) was ik, na het een paar keer uithalen en weer vlechten, redelijk tevreden. Maar om het verfijnder te maken moest ik er nog wel op borduren. Uiteindelijk heb ik er misschien vijftig of honderdvijftig uur met plezier aan gewerkt, en het staat leuk in onze gang (zie foto).

Maar eerlijk, de verfijning haalt het toch echt bij lange na niet bij de meeste traditionele quilts uit het boek van An Moonen. Met als topstuk wel die schitterende lap uit Utrecht, van circa 1830. Ruim 3000 perfect uitgeknipte katoenen driehoekjes telde ik, die keurig netjes met de hand eerst aan elkaar, en daarna op linnen genaaid waren – ‘geen rafeltje te bekennen’, schrijft Moonen. Waarna de naaister (of naaier?) ook nog eens een rand heeft geappliqueerd met tientallen levensechte rozen, tulpen, pauwen en theehuisjes in de juiste verhoudingen. Het moet, daar in het Gooi begin negentiende eeuw, om vele honderden uren zijn gegaan. Misschien heeft er een hele familie aan gewerkt, of is het een project over meerdere generaties geweest.

Regelmaat

En dat deed me afvragen waarin nu de verfijning en daardoor ervaren schoonheid van een quilt of patchwork kleed zit. Is het de regelmaat van de allemaal even grote vakjes, en daarmee de voorspelbaarheid? Rafels maken het fijner, maar ook onregelmatig. Maar misschien is het vooral dat de gevlochten blokjes in mijn wandkleed allemaal van net even van een andere grootte, en vaak ook nog wat schots en scheef zijn. Ik weet niet of het technisch mogelijk is om keurig recht te vlechten, en dan te rafelen. Misschien moet ik, voor die verfijning, toch gewoon nog eens proberen om op de klassieke manier met staallapjes te patchworken, maar dan met netjes gesneden veel kleinere vierkantjes en gecombineerde driehoekjes.

Regelmaat (in de zin van terugkerende maten of getalsverhoudingen) kan een aspect van verfijning of schoonheid zijn. Maar een wandkleed/patchwork moet natuurlijk ook weer niet te voorspelbaar (is saai) gaan worden. Vandaar dat afwisseling in kleur en combinaties natuurlijk ook belangrijk is.

Bij deze mooie, moderne Nederlandse quilt (zie Dutchquilt.com) zijn ook honderden lapjes netjes aan elkaar genaaid. Regelmaat zit hem hier in de afmetingen van de afzonderlijke blokjes, die allemaal (alleen of met een paar samengevoegd) precies even groot zijn. Saai is het zeker niet, onder andere omdat elke grotere blok anders is samengesteld.

Buitenlandse quilts en patchwork zijn te zien bij het international quilt museum  

Zie hier vijf manieren van quilter Karen Brown om te quilten met restjes stof. 

Staallapjes bleken ook geschikt om een versleten Indonesische wajang pop opnieuw aan te kleden

Zie voor meer producten van staallapjes: ‘Staalstoffen portemonnee in serie’

Verliefd op upcyclen

2 december 2020

Het is alweer ruim een jaar geleden dat ik startte als restoffenverwerker. Langzamerhand ben ik, met ook nog een klein groente- en fruithoekje in onze tuin, in een heel andere economie beland dan toen ik nog werkte als wetenschapsjournalist, eentje met een minder duidelijke of in ieder geval andere relatie tussen producten, het geld dat ze kostten, en de waarde die ik eraan toeken.

De blauwe laptophoes, de rode stoffen portemonnee, de zachte groene brillenkoker en het gepatchworkte telefoonhoesje die ik nu dagelijks in gebruik heb (de laatste drie van stofstaallapjes) hebben me samen nauwelijks vijf euro gekost. Maar soms lijk ik er wel verliefd op, zo graag pak ik ze telkens weer uit mijn (duurzaam omkeerbare) tas. Is het vanwege de zachtheid van stof en/of de vrolijke en mooie kleurcombinaties? Of omdat ik er zoveel tijd, en misschien ook gedachten in heb gestoken? Of is het (ook) omdat ik het idee heb dat deze accessoires meerdere goede doelen dienen, zoals hergebruik, een leuke tijdbesteding en besparing (ik hoef er dan geen meer te kopen).

Ik was altijd gewend om onze kersenhouten tafel te dekken met alleen papieren servetjes. Maar vorige week had ik bedacht om, ter ere van gasten, van een oud gordijn met brede, zachtgeel/oranje strepen, servetjes te maken bij een restlap met smalle geel, blauw, rode streepjes. En op die manier de tafel aan te kleden. Een damasten tafelkleed heb ik nog nooit gehad, maar ik denk dat op dat moment een damasten tafelkleed met bijpassende servetten niet meer voorpret had opgeleverd.

Oplappen van kussens

Het is nog sterker. Onze twee, nu ruim tien jaar oude, handgeweven kussens uit India bleken weer flink wat gaten te hebben. En nu kon ik ze echt niet meer onzichtbaar herstellen, zoals ik eerder wel deed. Het enige waartoe ik nog kon besluiten, behalve ze gooien in een textielbak voor industriële verwerking, was ze letterlijk op te lappen, door er kleurige staallapjes bij te zoeken, die er mooi op te borduren, en het borduurwerk tegelijkertijd nog wat uit te breiden zodat de aandacht minder naar de verbleekte stukjes zouden gaan. Door hier een begin mee te maken (ze zijn nog niet af), ontdekte ik dat ik ze zo eigenlijk nog leuker kon maken, of tenminste even leuk, waardoor ze niet alleen langer mee kunnen, maar ook nog veranderen in andere kussens.

Onze twee handgeweven effen kussens uit India, die met
stofstaallapjes langzaam veranderen in geborduurde patchwork-achtige kussens. (toevoeging 9 mei 2022: inmiddels heb ik ze toch weggegooid omdat het aantal gestopte gaten zo groot werd dat het niet mooi meer was).

Dat van die kussens is beslist geen nieuwe gedachte. Het is gewoon ‘upcyclen’, een woord dat ik zelf zo’n drie jaar geleden ergens voor het eerst las: iets wat je op het eerste gezicht zou weggooien, bijvoorbeeld omdat het niet meer lijkt op het nieuw gekochte, repareer je niet: je verandert het in iets mooiers, of in iets wat beter past bij je inrichting of je garderobe dan het gerepareerde, mogelijk gedateerde product zou doen.

Design voorbeelden

Inmiddels wordt dit concept van upcycling alweer verfijnd, blijkens dit recent geschreven overzichtsverhaal ‘Nothing new, everyting new’ uit het online trendwatching blad Stylink. Dit blad (zie ook de webinar erin) komt met design voorbeelden waarbij het niet meer gaat om iets geheel nieuws te creëren, maar om uit te gaan van wat er is (‘Repurpose’, ofwel: from creator to curator). Daarbij past ook zoveel mogelijk gebruik maken van natuurlijke materialen (‘Rewild’); dat wat er is sterker maken (‘Reinforce’); en het verkennende, creatieve leerproces centraal stellen in plaats van het resultaat (‘Revive’, letterlijk vertaald: opnieuw leven).

Resultaten

Misschien ben ik vorig jaar juni ook daarom wel gestopt als wetenschapsjournalist: na 25 jaar schrijven over nieuwe ideeën en technieken voor een schoner milieu en een efficiëntere economie, is het fijn iets anders te gaan doen, zelf aan de slag te gaan met wat er is (in mijn geval: aan reststoffen in huis en omgeving). En en passant het leerproces, ik verzin hier even een vijfde verfijning, creatief op te schalen (‘Upscale’). Middels deze blogsite met, dat dan toch weer wel, resultaten.

Traditionele patchwork- en borduurtechnieken

Dat upcyclen van alle tijden is, getuige de vele overgeleverde traditionele quilt-, patchwork en borduurtechnieken in allerlei culturen om kleding, tassen en bijvoorbeeld dekens op te knappen en te maken (zie ook Schoonheid bereiken met gerafelde staallapjes).

In een tweede overzichtsverhaal komt Stylink met klassieke Japanse technieken van upcyclen. Sashiko is een borduurtechniek die me op dit moment erg aanspreekt, omdat ik nu oude spijkerbroeken verwerk. Het is namelijk een traditionele borduurtechniek om met indigo geverfde stoffen aan originele kledingstukken vast te zetten, om ze zo te verstevigen. De maker gebruikt contrasterende katoenen garens en voert geometrische patronen uit met simpele, voor ieder makkelijk uit te voeren steken, en je hoeft niet continu vakjes te tellen.

Traditionele sashiko patronen
Modern Sashiko stiksel op jeans
Zelf gebruikte ik deze borduurtechniek onder andere in een wandkleed van versleten spijkerstof dat ik maakte.

Stofstalen portemonnees in serie maken

Van staallapjes kun je prachtige producten maken zoals brillenkokers, telefoonhoezen en portemonnees. Alleen: werken in serie is maar beperkt mogelijk, omdat deze kleine, luxe lapjes steeds weer anders zijn.

Op 1 februari 2020 startte ik met tientallen prachtige kwaliteit lapjes uit drie afgeschreven staalboeken, afkomstig uit de lokale kringloopwinkel. Omdat de lapjes uit staalboeken zo klein zijn besloot ik na wat quilt-experimenten (zie Verfijning bereiken met gerafelde staallapjes), tien portemonnees te gaan maken. Na tien zou ik, hopelijk, een goed patroon/format hebben gevonden voor een serie. Werken in serie is, ook in het verwerken van resten, natuurlijk handig: gemiddeld duurt het maken van een product korter, en je kunt het werk makkelijker verdelen of helemaal uitbesteden.

Prototype

Eerst was het zoeken naar een goed ontwerp of prototype. Mijn middelste dochter (22) bleek het meest kritisch: De eerste portemonnee (gebaseerd op een patroon uit de Burda), moest echt veel kleiner, die kleinere was qua maat goed, maar met dat drukkertje ging hij te langzaam open en dicht (bij de volgende koos ik voor een duurdere magneetsluiting). Bij de derde vielen de kaartjes eruit (ze schudde ook wel heel hard), bij de vierde kon ze met geen mogelijkheid de rits dicht krijgen, de vijfde zou meteen  vuil worden  .. enzovoort. Uiteindelijk had ik er in juni negen, waarvan zes bruikbaar.

Een paar van de portemonnees die ik nu sinds maart gebruik

Oké, deze prototypes zijn nog niet netjes genoeg om cadeau te geven, voor een naaiworkshop, of voor de verkoop. Maar wellicht toch dat een stofstalen portemonnee voor een deel van de vrouwen/meisjes, nuttig kan zijn (voor mannen heb ik het niet onderzocht). In ieder geval blijkt het nu voor mij een plezierig product. Sinds maart gebruik ik alleen nog deze stofstalen portemonnees: ze zijn heerlijk zacht (vergeleken met leer), de kleuren kun je laten passen bij je stoffen tas en brillenkoker, het is beter voor het milieu, en goedkoper (mijn leren portemonnee kostte zo’n tachtig euro). Ook belangrijk: de pasjes vallen er niet uit.

Kleur- en patrooncombinaties

Uiteindelijk bleek seriewerk, in ieder geval bij de portemonnees van de drie staalboeken die ik had, maar beperkt mogelijk. Voor 1 portemonnee zijn drie of vier lapjes nodig. En omdat elk lapje verschillend was, moest ik voor elke portemonnee bij elkaar passende kleuren- en patrooncombinaties zoeken. Het zou beter gaan als je met meer van dezelfde staalboeken zou kunnen werken. Daarnaast wilde ik zoveel mogelijk tweedehands ritsen en knopen gebruiken, waardoor ik soms ritsen korter moest maken en niet alle mogelijke kleuren kon inzetten. Ook de hoeveelheid gebruikte knopen die ik in mijn studio wil bewaren is (nog) beperkt. Met andere woorden: elke portemonnee zal weer anders zijn.  Maar daardoor bleef het werk wel leuk en spannend: Hoe zouden die kleurcombinaties uitpakken?

Ook deze brillenkoker en telefoonhoes zouden in serie gemaakt kunnen worden

Seriewerk kan ook saai zijn

Hier is wel sprake van een trade off, merkte ik weer eens aan de lijve. In serie werken gaat sneller, en het proces is zekerder omdat het volgens een vast ontwerp en maakproces gaat.  Terwijl steeds iets nieuws maken, wat ik zelf het liefst doe, spannender is. Wat dat betreft is het eigenlijk juist wel leuk aan werken met resten dat dit, zo leerden ook die portemmonnees, vaker maar deels in serie kan, omdat de resten nu eenmaal steeds anders zijn – vergeleken met onbeperkt nieuwe stof kunnen bestellen. Voordeel van met resten werken is daarbij dat je vaker nieuwe producten kunt uitproberen: als het mislukt kost het minder materiaal dan als je uitgaat van nieuwe stof.

Over de eerste portemonnee deed ik nog ruim vijf uur, de laatste lukte al in zo’n 2,5 uur. Misschien is 1,5 uur haalbaar, maar dat zou denk ik stressen worden. Over een degelijke, gewassen spijkerbroek maken doet een ervaren klerenmaker waarschijnlijk al snel 3 a 4 uur. Of langer, als je ook de klinken en ritsen zelf maakt (zie bijvoorbeeld het filmpje van deze slow fashion loving, voortdurend koffie drinkende kleermaker in zijn schuur op het platteland)

In een filmpje over hoe spijkerbroeken worden gemaakt in een geautomatiseerde modelfabriek (onduidelijk waar hij staat, en van wie hij is), zag ik hoe het ook kan: 300 mensen maken er tot wel 6000 spijkerbroeken per dag, volgens de commentator. Dat is dus per persoon gemiddeld 20 op een dag. De patronen voor de 19 afzonderlijke delen worden computergestuurd gesneden in stapels van ongeveer 20 denim lappen tegelijk. Eén spijkerbroek gaat door de handen van vijfentwintig fabrieksmedewerkers.

‘Rest’ komt ook voort uit het Franse rester (wat overblijft om te doen)

De herkomst van het woord ‘rest’ blijkt dicht te liggen bij dat van ‘rust’. De woorden lijken zelfs verwant.

Om meer gevoel te krijgen voor wat het betekent met resten te werken, ben ik de herkomst van het woord eens nagegaan. Woorden als ‘reste’ of ‘rest van’ duiken in Nederlandse teksten op vanaf de vijftiende eeuw, zo is te vinden in de Nederlandse etymologiebank. Aanvankelijk niet in de betekenis van resten van producten (van textiel bijvoorbeeld), maar in de betekenis van overgebleven mensen. Zoals in een geschrift uit 1415: Die reste van onsen baronen …Sullen varen an die komen daer, wat zoiets betekent als: de rest van de edelen moeten hen die aankomen tegemoet komen. Nu zeggen we natuurlijk ook nog wel: de rest (van de mensen) kan  het beste maar dit of dat gaan doen, kan bijvoorbeeld maar beter thuis blijven.

In de betekenis van stofresten/reststromen – ofwel overschot – hebben etymologen resten pas 150 jaar later gevonden, in een akte uit 1575: de reste vande twee kloosters,  – de ruïne van de twee kloosters. Het Nederlandse reste komt dan van het Franse reste (voor het eerst gesignaleerd in een tekst uit 1230).

Judopakken

Bij een rest denken we gemakkelijk aan iets passiefs. Dat gold in ieder geval voor de resten textiel die ik jarenlang in huis had liggen, iets wat maar steeds bleef liggen en ruimte innam: de bergen dunne truitjes, fladderige broeken en vestjes die we niet meer droegen, de te klein geworden judopakken, de te grote, ooit gekregen strandhanddoeken, de stapel tafelkleden in de kelder…

Dat passieve past ook bij de betekenis van het Latijnse restare – overblijven, achterblijven. Stare betekent staan in het Latijn, restare is dus misschien zoiets geweest als: dat wat is blijven staan, of, waarschijnlijker, mensen die zijn blijven staan, een passief gebeuren dus.

Hondert cronen

Maar het Franse werkwoord rester, wat meer lijkt op ons woord rest, betekent nu juist: wat overblijft om te doen (cursief van mij)’. De Fransen vonden kennelijk dat daar dan nog wel wat mee moest gebeuren…..Een betekenis die we trouwens ook zeker terug vinden in het Nederlandse werkwoord resten. Bijvoorbeeld in ‘… hondert cronen, die ghylieden rest te betalen (tekst uit 1488). Ook in het huidige, niet zoveel meer gebruikte werkwoord ‘Mij rest alleen nog…. vinden we nog dat wat overblijft om te doen.

Handdoeken

Iets met resten willen doen roept natuurlijk meteen de vraag op: wat dan? Daar kun je behoorlijk van in de stress raken. Je kunt immers met ontzettend veel ongesorteerde resten zitten, en alle resten zijn weer anders. Ik ben toen maar gewoon begonnen met een eerste groep: handdoeken. Toevallig had ik namelijk net voor ik met dit onderzoek begon ook nog eens drie vuilniszakken overgebleven textiel gekregen van een tante die naar een verpleeghuis was verhuisd, met daarin zeker twintig handdoeken.

Van stroken versleten witte handdoek bleek ik onverwacht eenvoudig mooie boekenleggers te kunnen maken: ik verfde ze met allerlei mengsels van rode koolsap, azijn, soda, rode biet, kurkuma, avocado en uienschil, en borduurde ze (zie ook Kleurstoffen). Dat gaf weer moed om door te gaan.

Rust, rost en rest

Ik merkte dat het werken met resten me rust gaf (zie ook Stof bewerken voor een betere stemming). Wat blijkt nu ook, uit de etymologiebank? Allerlei varianten van ruste, reste en roste komen in Middelnederduitse, Oudsaksische en Oud-engelse teksten vanaf de dertiende eeuw voor – in de betekenis van ‘rust’. En het Engelse rest betekent nog steeds rust. Dat de woorden rest en rust verwant zijn, is wellicht geen toeval. Misschien moeten we voor een eventuele gemeenschappelijke oorsprong toch maar weer terug naar de passieve, Latijnse term restare: iets wat overblijft. Als er iets overblijft is er genoeg van, en dat geeft rust. Of (ik bedenk maar wat): in rust zie je de resten beter. Nog eentje: wie niet mee op jacht hoeft, kan lekker rustig bij de resten blijven, dan wel er rustig mee gaan werken. Nou ja, zo kun je nog even doorgaan.

Bewaren en waarderen

Zo lijkt het me trouwens ook interessant om na te gaan welke verwantschappen er zijn tussen de woorden bewaren, waarderen en waar. Bijvoorbeeld: voordat je iets bewaart, moet je kiezen wat je bewaart (wat behoorlijk lastig kan zijn) en dus ook wat je waardeert, dan wel wat waarde heeft of wat waar(devol) of waarachtig is, of lijkt.

Ook de herkomst van jurk en rok, waar mijn aangetrouwde neef Neerlandicus Fons Moerdijk op is gepromoveerd wil ik nog bestuderen.

Veel te maken van versleten handdoeken

Van alles kun je maken van versleten handdoeken: pannenlappen, slabbetjes, pantoffels, knuffels.. er is echt veel mogelijk, zo blijkt ook uit de vele inspirerende voorbeelden op onder andere Pinterest. Het spaart geld, en is nog leuk werk ook.

Mijn eerste onderzoek als stofrestenverwerker betrof oude handdoeken. Dat was min of meer toeval. Oktober 2019 hadden we, bovenop onze eigen zakken uit te zoeken textiel, drie vuilniszakken van een tante gekregen, en daar zaten vooral veel handdoeken in.

Meest versleten handdoeken

Voor ik met deze studio begon (november 2019), had ik deze handdoeken zeker nog in de prullenbak gemikt, waarna ze verbrand zouden worden (jaarlijks wordt in Nederland nog ruim vijftig procent van alle textiel verbrand, 130 miljoen kilo). Maar nu vroeg ik me dus af: kon er nog wat van gemaakt? Gelukkig wist een winkel in Ede mijn verpieterde,  dertig jaar oude Pfaff naaimachine en vijftien jaar oude Singer snel te repareren en dus, hup aan de slag. Uit handdoeken van allerlei kleuren knipte ik de beste delen, om er fleurige vaatdoekjes en washandjes van te maken.

Als eerste maakte ik washandjes en vaatdoekjes door twee (gepatchworkte) delen op elkaar te leggen, en de randen om te zomen met kleurige bandjes.. Dat zag er vrolijk uit, maar al na 1 keer wassen waren de bandjes er deels afgesleten en kon het textiel alsnog de prullenbak in. Met bredere banden zouden ze het denk ik wel langer houden.  
Ik maakte een tweede serie vaatdoekjes door stukken (gepatchworkt) handdoek vast te naaien aan even grote stukken oude t-shirt-lapjes en om te keren. Zelf gebruik ik die nog steeds (na zeker twintig keer wassen zien ze er nog goed uit). Dus daarmee heb ik zeker al voor een tientje aan nieuwe doekjes bespaard…. Maar familieleden waren niet enthousiast: volgens hen gingen er bacteriën tussen die lagen zitten.

Uiteindelijk was er, na drie maanden met die handdoeken werken, eigenlijk maar 1 product uitgerold als mogelijk haalbaar om cadeau te geven, of te verkopen: een patchwork washandje. Je pakt de beste handdoekdelen; je patchworkt verschillende kleuren aan elkaar (met festonsteek) zodat ze zich onderscheiden van de effen washandjes uit de winkel; en de voor- en achterkant naai je met de verkeerde kanten aan elkaar, om ze vervolgens om te draaien.

Punt is natuurlijk wel dat de meeste mensen graag (gepatchworkte) washandjes hebben die qua kleur en stijl passen bij de handdoeken die al in de bandkamer liggen – dat bijvoorbeeld in het design hetzelfde blauw of rood terug komt van de handdoek. Daarvoor is dan extra organisatie nodig – de resten moeten immers wel passen bij de nog goede handdoeken…. Zo’n match zou denk ik goed haalbaar zijn in grote hotel-  en zorgketens die langere tijd voor dezelfde stijl handdoeken kiezen.

Slabbetjes, dieren en kruikenzakken

Verder heb ik nog een pannenlap gemaakt, een etui, en handdoek als voering gebruikt in een telefoonhoesje. Maar echt enthousiast werd ik eigenlijk pas over de vele leuke producten die ik op Pinterest en Facebook ontdekte, zoals de meest geinige knuffels (tik in op Pinterest: handdoeken en dieren), prachtig doorgestikte pannenlappen, spuugdoekjes, kruikenzakken, slippers en slabbetjes, zie bijvoorbeeld de blog Tien keer wat te doen met oude handdoeken. Ook de slabbetjes, pantoffels en beertjes op ‘Gooi oude handdoeken niet weg, vijftien tips’  lijken me geschikt voor cadeaus en de verkoop. Al weet ik nu wel hoe makkelijk zoiets is gezegd, en hoeveel tijd het werkelijk kost om van handdoeken producten te maken die daarvoor handig en mooi genoeg zijn.

Log

Het serieus nemen van het feit dat rest afstamt van het Franse rester, ‘wat overblijft om te doen’ (zie ook verslag ‘Rest komt voort uit Franse rester’) bleek meteen die eerste maanden best lastig, in de zin van dat het meer tijd kostte dan ik dacht om tot een cadeau of verkoopbaar product te komen. Ook omdat het gaat om handdoeken, die in feite log en dik zijn vergeleken met bijvoorbeeld staallapjes. Maar niet getreurd, pannenlappen, slabbetjes, pantoffels.. het is mogelijk, getuige de inspirerende foto’s op Internet. En als je geen zin hebt om iets te maken, of te veel oude handdoeken hebt: dierenasiels willen ze ook heel graag. Wellicht dat ze vanuit de loodsen waar gebruikt textiel verzameld wordt, daar ook naar toe gaan. Al heb ik nog geen idee of zij voor dierenasiels juist te veel of te weinig hebben:  ik breng ook de oude, versleten handdoeken in het vervolg dus toch maar daar, in plaats van naar de prullenbak, als ik er niet zelf iets mee wil doen.

In ieder geval: nieuwe ronde, nieuwe kansen, ik kon die moeilijke handdoeken ook gewoon even laten zitten. 1 februari 2020 ging ik daarom gewoon met een nieuwe groep aan de slag: stofstalen.

Van de resten verknipte handdoeken maakte ik in die eerste drie maanden wel ook boekenleggers en een wandkleed voor de gang: daartoe knipte ik van witte handdoek smalle stroken, verfde die  met voedselresten (rode bietenschillen, rode kool, kurkuma, avocadopit, uienschil e.a.), rafelde de randen, en plakt en naaide de stroken op een oud tafelkleed. Dat pakte mooi uit, en bleek erg leuk werk. Zie ook verslagen Stof bewerken voor een betere stemming en Kleuren met kurkuma, advocaat en rodekool
Later (april 2021) bleken oude handdoeken bovendien handig voor het maken van strijkplankhoezen: ze zijn als voering zeker zo geschikt als het schuimige kunststof dat onder mijn oude, lelijk geworden strijkplankhoes zat (paar jaar geleden voor 17,95 gekocht). Als bovenlap gebruikte ik een iets verbleekte sprei, gekocht bij Kringloop Wageningen. Koord erdoorheen, van onder nog wat extra koorden aangenaaid om hem mooi strak te kunnen strikken, en klaar.

Experimenteren met spijkerstof

Oude spijkerbroeken bevatten stevig en prachtig blauw-wit materiaal om er tassen, yogamatjes, schorten en veel meer van te maken. Wandkleden kan ook, en wat dan nog over is kan soms al industrieel worden verwerkt.

Als derde onderzoek (na handdoeken en stofstalen), startte ik op 1 mei 2020 met versleten spijkerbroeken, omdat spijkerstof zulk stevig en mooi helder blauw met wit materiaal is, en omdat je er zo makkelijk via familie en vrienden aan kunt komen. Het is inderdaad geweldig dankbaar materiaal. Binnen no time had ik van drie gekregen spijkerbroeken van alles gemaakt: twee portemonnees, twee yogamatjes, schoudertas, etuitje …

Yogamatje van stukjes spijkerbroek gemengd met restjes stofstaallapjes. Daarbij heb ik (bescheiden) gebruik gemaakt van Japans borduurwerk (Sashiko), een techniek die goed is te combineren met spijkerstof omdat de steken eenvoudig zijn, en omdat Sashiko van oudsher gebruikt werd voor de verwerking van met denim geverfde lappen.

Vooral was ik verrast door de oneindige hoeveelheid inspirerende spijkerbroekproducten op Pinterest (tik in: ‘spijkerbroeken’ of jeans). De prachtigste tassen, knuffels, dekentjes, pannenlappen, rokken, telefoonhouders en andere accessoires kun je er vinden, vaak ook nog met een filmpje hoe je het maakt. De internationale Do-It-Yourself (DIY) beweging is echt geweldig om inspiratie op te doen, en te leren, ook voor scholen of buurtcentra.

Zie bijvoorbeeld dit fleurig kussen dat ik (via Pinterest) vond op de inspirerende DIY- site Pillarbox blue, met instructieblogs voor kussens, pannenlappen, plantenpotten en andere producten van spijkerstof.

Wandkleed

Hoewel er steeds meer initiatieven zijn om versleten spijkerbroeken industrieel te verwerken – bijvoorbeeld tot isolatiemateriaal of nieuw garen, wilde ik toch zoveel mogelijk alles ervan gebruiken, en zo onderzoeken welke mogelijkheden er als handwerker zijn. Daarom heb ik van de resten van de resten ook een wandkleed gemaakt voor in onze gang, passend bij de wandkleden van gekleurde handdoekstukjes en gevlochten stofstaalreepjes die er nu hangen.

Het wandkleed, geheten in wording, hangt al in onze gang, maar (trouw aan zijn titel) ben ik nog wel van plan meer geometrische vormen erin te borduren, en de vlakken netter af te werken. De restjes zijn geborduurd op een oud dekentje.

In het wandkleed onderzocht ik welke typen ‘weefsels’ of vlakken (combinaties van delen) je van spijkerbroek kunt maken, want die zou je nog eens kunnen gebruiken voor nuttige producten. En ik wil weten in hoeverre je van de echte scrap nog iets moois kunt maken. Daartoe tornde ik eerst alle delen los, zoals ook rits, zakken, bijzakjes en klinknagels. Dan had ik immers de meeste kans op leuke, en later misschien nog eens bruikbare typen vlakken.

Klinknagels

Ik kan niet anders zeggen dan dat mijn waardering voor de spijkerbroek nog eens verder groeide bij het knippen van de delen. Tien minuten tot een kwartier was ik soms wel bezig om zo’n dubbel genaaide zak of rits ongeschonden los te krijgen. Geen wonder dat de patenthouders op die klinknagels en extra sterke werkbroeken, de Duitser Levi Strauss en de Amerikaanse kleermaker John Davis rond 1875 zo’n succes hadden bij de goudzoekers voor wie hun broeken aanvankelijk waren bedoeld (patent nr 139.121, verleend in 1873 in de VS – zie dit filmpje over de geschiedenis).

Moderner

Inmiddels kan het gelukkig wel moderner, lees: circulairder gaan dan in 1875 (!). Bijvoorbeeld in spijkerbroeken van MUD-jeans (‘op weg naar 100 procent circulaire jeans’), zit al 40 % gerecyclelde jeans. En je kunt je jeans er ook huren, wat nog weer meer energie, water en katoen scheelt. Zie ook Industriele oplossingen voor de resten van de resten).

Detail van de geborduurde huisjes op het wandkleed.
Eenmaal losgeknipt, geeft het samenvoegen van de verschillende delen verschillende typen vlakken. Detail van tegen elkaar gelegde (geborduurde) banden en gerafelde brede repen.
Kenmerkend aan denim is de witte scheringdraad, doorweven met een inslagdraad die is gekleurd met synthetisch gemaakt indigo. Die witte scheringdraad bleek gelukkig ook mooi te rafelen, wat mijn mogelijkheden voor mooie vlakken (hier: gevlochten smalle repen) nog weer vergrootte.

Gedichten over stof

Stof zit ook in de lucht, waar het kan zweven, vallen en dansen, zo blijkt uit twee heel verschillende gedichten.

18 januari 2021

Stof betekent natuurlijk ook nog iets anders dan lap. Het zit ook, onzichtbaar meestal, in de lucht.Een van de eerste teksten die ik ooit heb geschreven, en ook op muziek heb gezet (in 1982 voor vierstemmig zang), was het volgende gedicht:

Ziedaar een stofje

Zomaar zwevend

Zonder doel

Gedwongen door tocht

Rusteloos te zoeken

Naar een stilstand

Om tenslotte te vallen

15 februari 2021

Eerlijk gezegd is dit het enige serieuze gedicht dat ik ooit heb geschreven. De rest van mijn literaire teksten waren allemaal, het was jaren tachtig, liedjesteksten á la die van Annie M.G. Schmidt (niet zo goed natuurlijk). Ik denk me het moment nog te kunnen herinneren dat ik dit stofgedicht schreef – op een saaie middag in de woonkamer van mijn ouders – maar ik herinner me niet dat ik er een bepaalde bedoeling mee had, dat ik er een beeld mee wilde neerzetten, of een gedachte over stof of het leven mee wilde uitdrukken. Ik denk ook niet dat ik destijds écht stof zag zweven en daarom ging schrijven, maar misschien ook wel. Hoe het ook geweest zij, toen ik dit gedicht vorige maand nog eens aanhaalde omdat het zo goed bij mijn stofrestenstudio past, bedacht ik dat als ik nog eens een ander gedicht over stof tegen zou komen, dit ook zou opnemen.

En warempel, afgelopen vrijdag recenseerde schrijver en beeldend kunstenaar Maria Barnas de nieuwe gedichtenbundel ‘Nergens anders’ van Hans Tentije (pseudoniem voor Johann Krämer). Met, het staat er echt, een stukje poëzie van hem uit 1990 dat óók begint met stof, in dit geval: zichtbaar stof omdat er licht erop schijnt:

‘Stof danst in de baan van de projector, in de flakkering van de bij elkaar op het scherm aansluiting zoekende, elkaar aanklampende beelden – van wat zich uit mij losmaakt, zich van zichzelf bevrijdt. Op het eigenlijke, het wezenlijke dat door het verhaal heen schemert of dat zich in een flits zou kunnen openbaren, ook nu is het daarop wachten.’

Dansen

Nu ben ik toch benieuwd: Heeft Hans Tentije destijds werkelijk in flakkerende beelden van een projector stof zien dansen, raakte hem dat en is hij daarom gaan dichten? Of wilde hij uitdrukking geven aan een gevoel dat verder niet zoveel met dat beeld te maken heeft? Ik geloof dat ik het zelf ook wel eens gezien heb, stof in flakkerende beelden, en dat het beeld dus wel kan kloppen. Al is ‘dansen’ natuurlijk een projectie. Net als, bij mij, ‘zweven zonder doel’. Dansen vind ik voor stofjes eigenlijk mooier. Want dansen heeft wel een soort van doel, in ieder geval, een goede reden om het te doen: namelijk samen een leuke tijd hebben. Bij mij had het zweven van dat ene stofje destijds geen doel – dat staat er ook nadrukkelijk bij. Al had dat natuurlijk best gekund: in je eentje zomaar wat zweven kan ook leuk zijn, en dus een reden waarom je dat zou gaan doen.

Aanklampende beelden

Ik weet dat ik meer betekenis leg in beide gedichten dan waarschijnlijk is bedoeld, in ieder geval in de mijne, en een gedicht over een stofje is ook niet echt te vergelijken met een gedicht over elkaar zoekende beelden die zich weer bevrijden. Maar ik doe het toch.

Niet alleen heeft Tentije het over stof – dus meerdere stofjes in plaats van een enkel stofje –  het gaat ook nog eens om (meerdere) beelden die elkaar zoeken en zich zelfs aan elkaar klampen. Dit gaat toch wel echt een heel andere kant op dan mijn gedicht van destijds. Hierbij vergeleken schreef ik een echt loners gedicht. Al zit er in dat aan elkaar klampen ook wel iets gedwongens. Als hier sprake van projectie is, en dat moet haast wel want beelden klampen zich niet echt aan elkaar, kun je je afvragen wat vervelender is: als beeld(en) te worden gedwongen je aan andere beelden te klampen, of als stofje te worden opgejaagd rusteloos te zoeken? Ik weet het echt niet. Maar goed, de beelden bevrijden zich uiteindelijk wel van de dichter en van elkaar en dat is mooi. In mijn gedicht eindigt dat eenzame stofje zonder beelden nogal kaal in een val.  

Flitsende openbaring

Uiteindelijk wacht de dichter dus op het ‘eigenlijke, het wezenlijke dat door het verhaal heen schemert of zich in een flits zou kunnen openbaren.’ Vooral daarmee kan de strekking van dit gedicht niet méér verschillen van hoe ik zelf nu mijn eigen gedicht uit 1982 ervaar.

Niet alleen schreef ik destijds dus over een enkel stofje dat maar wat zweeft tot hij valt punt. De beweging van het stofje heeft ook geen doel. Een verhaal, laat staan een flitsende openbaring verwachten van die beweging zou absurd zijn. Voor Hans Tentije lijkt het vanzelfsprekend dat de aanklampende beelden die zich van hem losmaken een verhaal bevatten. Een verhaal is zelfs niet genoeg, hij wacht op het eigenlijke, het wezenlijke dat erdoorheen schemert. Ik zou zeggen: alleen als in zijn gedicht nu eigenlijk het dansende stof centraal zou staan, dan zou het weer wat meer lijken op dat van mij.

Maar ja, wat is dit voor vergelijking? Ik snap Tentije’s gedicht wel. Nu zit ik zelf toch ook weer met beelden over iets wat daar onmogelijk mee is te beschrijven een verhaal te vertellen, en te hopen iets wezenlijks te op te schrijven…

23 februari 2021

Misschien is het gedicht van Herman de Koninck dat ik gisteren op Neerlandistiek tegen kwam hier een goede aanvulling. Beelden en verhalen, verhalen die je zelf blijft herhalen, of die je steeds maar weer te horen krijgt, kunnen in de weg zitten, hinderlijk zijn als je je er niet van los kunt maken. Maar poëzie – bij uitstek beelden – kan zo niet zijn. Poëzie wil denk ik alleen maar deelgenoot maken, het wil niet overtuigen of iets veranderen, waarmee niet is gezegd dat poëzie niet helpt, of dat de dichter de situatie niet graag anders zou willen hebben. Of, zoals De Koninck het verwoordde:

Zoals je tegen een ziek dochtertje zegt: mijn miniatuurmensje, mijn zelfgemaakt verdrietje, en het helpt niet;

Zoals je een hand op haar hete voorhoofdje legt, zo dun als sneeuw gaat liggen, en het helpt niet;

Zo helpt poëzie.